Als jong kind is je lijf vanzelfsprekend. Het is er en je leeft ermee. Ik klauterde overal op en rende van her naar der. Gewoon, omdat ik het fijn vond. Mijn lijf was vrij.

Geleidelijk aan besef je dat je een lijf ‘hebt’ en dat ieder lijf er anders uitziet. Impliciet leer je ook dat dat lichaam er goed moet uitzien en dat het moet presteren. Ik had aanleg voor sport, maar hoe ik eruitzag dat boeide me weinig. Ik was niet zoals de andere meisjes en ik hoorde er duidelijk niet bij. Ik haalde in mijn hoofd dat ik moest zijn zoals hen, dus probeerde ik meer ‘meisjesachtig’ te zijn. Maar ik hield het niet vol dat doen alsof. Bovendien hielp het niet om erbij te horen. De schuld stak ik op mezelf.

De overgang van meisje naar vrouw wilde ik niet, kon ik niet. Het drukte me met de neus op de feiten: dit lijf was niet langer van mij. Wat ik door en door kende, bracht me in verwarring en deed me nog meer twijfelen over wie ik ben. De haat voor mezelf nam enorme proporties aan en vertaalde zich in haat voor mijn lijf. Het weerspiegelde mijn tekortkomingen en het feit dat ik er niet bij hoorde. Zo werd mijn lichaam iets dat gehandhaafd moest worden. Met sportprestaties en schoolresultaten probeerde ik het gevoel van minderwaardigheid te verlichten, maar het was nooit goed genoeg. Ik deed mezelf pijn en ontzegde mezelf warmte.

Ik ging besparen op eten en zette de chauffages af. Ik kocht amper nieuwe kleren en douchte enkel koud. Ik moest alles met de fiets doen, zelfs als ik de auto mocht nemen. Deze bezuinigingen begonnen in het middelbaar toen ik alleen thuis was, en zetten zich verder op kot en ook de jaren nadien. Eerst gunde ik mezelf geen extraatjes meer en mettertijd werd het zelfs moeilijk om mezelf enig comfort toe te staan.

Ik besefte wat ik aan het doen was, maar stoppen zou gevoeld hebben als falen – iets wat toen absoluut niet mocht. Ik was ook al het vertrouwen in mezelf en mijn lichaam kwijtgeraakt. Ik voelde me zo nietig en leeg dat ik mijn stem niet meer durfde gebruiken en zo weinig mogelijk ruimte wou innemen. Omdat mijn draagkracht uiteindelijk zo klein werd, ben ik tegen een muur gelopen. Op dat moment moest ik hulp en warmte aanvaarden. Dat deed me deugd, want ik voelde me sinds lang weer verbonden met anderen.

Nu weet ik dat ik boosheid en verdriet niet kon uiten, waardoor het zich in mij nestelde en mij van binnenuit kapot maakte. Zelfdestructie was voor mijn jonge brein een houvast om te overleven, en nu is het tijd om die patronen los te laten. Ik zie ook dat ik als ik kind veel te verduren heb gekregen, dat ik de pijn alleen moest dragen, en dat het niet mijn schuld was wat er met mij gebeurde. Dit besef helpt me om zachtheid te plaatsen tegenover de hardheid waarmee ik mezelf behandelde.

Ik oefen elke dag om tegengesteld te handelen aan de spaarzame patronen. Mezelf iets kleins gunnen is eigenlijk iets heel groots: het betekent dat ik mezelf gun om te leven. Ik vind het nog steeds heel moeilijk om boosheid en verdriet te doorvoelen en dat laat zich voelen in mijn lijf. Het laat me weten dat het tijd is om rust te nemen, om over iets te praten of het van me af te schrijven.


Plaats een reactie