‘Je zegt altijd nee, want over bepaalde raadsels van het menselijke leven blijf je liever in het ongewisse en dit is er een van.’
uit Afwassingen van Patrick deWitt
VERTEL OVER JE VRIEND. Je zag anderen vaker dan hem en toch voelde je je steeds sterk verbonden. Ondanks de jaren die soms tussen jullie ontmoetingen lagen was er altijd connectie. Gisteren ging je er nog eens langs. Het vorige bezoek dateerde van een maand eerder en daarvoor zag je elkaar drie maanden terug. Je zag elkaar het voorbije jaar meer dan in de afgelopen tien jaar. Met een reden.
Gisteren zag je hoe hij zich sterk hield, maar hoe het duidelijk een mindere dag was. Je zag hoe dun zijn haar is geworden en hoe vermoeid hij naar je keek. Zijn vrouw bukte zich even om de emmer weg te halen die naast de zetel stond. ‘Deze doe ik even weg,’ zei ze, ‘het gaat nu terug wat beter.’ Hij knikte en nam een slokje water. ‘Het is vreemd, voorbije week ging alles goed en heb ik best veel gedaan.’ Je knikt en zegt dat de bloemenborder inderdaad mooi opgekuist is. Een onbenullige zin, een opvullertje omdat je even niet weet wat zeggen. Plots zie je in je ooghoek een kleine kitten voorbijlopen. Je vraagt wie dat is en hij antwoordt dat dat kleine tante Lucie is. De kleine poes springt in de zetel, valt naast je neer en begint te spinnen, terwijl je zachtjes over haar rug en kopje aait. Zes weken is ze nu bij hem.
Elf maanden geleden was je ook op bezoek. Je was er met nog wat studiegenoten van toen, oude vrienden. Je had je muts op je hoofd, want ook toen was het koud en nat.
‘Twintig maanden geven ze me.’
Ze geven je niets. Jou wordt niets gegeven. Jou en ons wordt alles ontnomen.
Hij was net terug uit het ziekenhuis. Na vage klachten over hoofdpijn was hij thuis in de badkamer neergevallen. Een ambulance voerde hem naar spoed. Twee dagen later was hij geopereerd: een hersentumor armer, heel veel zorgen rijker. Alle plannen waren van de ene op de andere uit de agenda geschrapt. Alle plannen? Nee, er waren er nog twee. In het rood gemarkeerd: chemo en bestraling.
Je luistert wanneer hij vertelt dat de behandeling geen succes is. Die twintig maanden lijken een optimistische inschatting te zijn. De kans is groot dat het er eerder twaalf zullen blijken. Je slikt en legt een hand op zijn been en knijpt eens. Het is onwezenlijk. Je vraagt je af hoe het kan dat hij nog zo empathisch en moedig in het leven staat. Je vraagt je af hoe iemand zo zacht kan blijven ondanks alle harde dingen die hij moet doorstaan.
Een maand geleden vertelde je hoe je leven jaren overgenomen was door een eetstoornis en hoe je langzaam terug opkrabbelt. Het leek zo futiel en klein tegenover zijn lijden en toch stelde hij geïnteresseerd vragen, toch keek hij je in de ogen en nadat je je verhaal gedaan had, stond hij recht, gaf je een knuffel en zei hij: ‘Jij moet zo verschrikkelijk eenzaam geweest zijn.’ En dat was je. Je was verschrikkelijk eenzaam. En nu besef je dat dat helemaal niet zo hoefde te zijn, want dat je heel wat mensen rondom je hebt die er voor je zijn. Ondanks alles.
Je beseft nu dat het citaat uit het boek je iets doet omdat het niet klopt: ‘Je zegt altijd nee, want over bepaalde raadsels van het menselijke leven blijf je liever in het ongewisse en dit is er een van.’
Niet meer.
Je beseft dat het veiliger is om nee te zeggen en alles af te blokken, maar je weet en voelt nu dat het waardevoller is om ja te zeggen op de raadsels van het menselijke leven. Niet leuker, wel menselijker.
Je weet nu dat je vrienden je zoveel geleerd hebben. Dat je zelf zoveel geleerd hebt de voorbije maanden. Je weet nu dat de eetstoornis hard roept, maar dat je leven moet. Je weet dat je minstens dat verschuldigd bent aan die vriend.
S., dankjewel voor je moed, voor je vriendschap. Dankjewel om jou te zijn.


