Wat mensen zien wanneer ze denken aan een eetstoornis is het beeld van een uitgemergeld, jong, blank, en eerder welstellend meisje dat lijdt aan anorexia nervosa. Ze zien voornamelijk de uiterlijke kenmerken, en dan nog wel een zeer eenzijdige representatie ervan.
Zo definieert lichamelijk uitgemergeld zijn – botten die scherp uitsteken, een blauwachtige huid die op sommige plaatsen bijna doorzichtig lijkt, ingevallen wangen en holle oogkassen – op een heel visuele manier wat anorexia is, of wat anorexia zou moeten zijn.
Niet voldoen aan dit stereotiepe beeld heeft verschillende consequenties. Zo kan het leiden tot stigmatisering, of tot het feit dat mensen die niet voldoen aan het stereotiepe beeld hun eigen probleem niet erkennen als legitiem of als ernstig genoeg. Hierdoor zijn ze minder geneigd om hulp te zoeken, waardoor geen of een vertraagde behandeling wordt opgestart. Het stereotiepe beeld – en de daarmee samengaande onwetendheid – overschaduwt de brede waaier aan minstens even ernstige eetstoornissen, en kan een verkeerde diagnose en behandeling tot gevolg hebben.
Ook ik heb veel getwijfeld aan de legitimiteit van mijn anorexia. Me baserend op dat ‘stereotiepe beeld’, vond ik me tekortschieten voor die diagnose. Ik hield me voor dat ik dan magerder moest zijn, een allesoverheersende angst en afschuw voor eten moest voelen, geen hongergevoel meer mocht hebben, en zo goed als niet meer mocht eten. In plaats daarvan verlangde ik vaak wanhopig naar eten, was ik verwikkeld in een permanente strijd tegen een steeds sterker wordende honger, en werd mijn restrictieve eetpatroon extreem moeilijk vol te houden.
Mijn nieuwe obsessie rond sport veranderde de aard van mijn strijd tegen eten, maar zorgde er ook voor dat ik verder en verder verwijderd geraakte van het ‘stereotiepe beeld’ van iemand met een eetstoornis. Ik at ogenschijnlijk ‘normale’ volumes voedsel, won elke loopwedstrijd waar ik aan meedeed, en begon er steeds meer uit te zien als een getrainde langeafstandsloopster. Dit creëerde voor mijn omgeving de illusie dat er geen probleem was. Zij zagen een gedisciplineerde, jonge vrouw die goed presteerde op sportief vlak en die het op eerste gezicht normale porties at.
Anorexia zat verborgen in hetgeen mijn omgeving niet zag: hoe moeilijk het was om niet aan mijn hongergevoel toe te geven, hoeveel moeite het me kostte om mijn eten te compenseren, hoe groot mijn angst om zwaarder te worden was. Ik besefte dat ik een probleem had – dat eten en lopen mijn leven hadden overgenomen – maar ik hield me voor dat het niet erg genoeg was om mijn behoefte aan hulp te legitimeren. Dat ik onvoldoende voldeed aan wat anorexia ‘zou moeten zijn’.
Dit idee werd later nog versterkt door vicieuze cirkels van eetbuien en compenseren. Controleverlies gaf me het gevoel dat ik blijkbaar niet meer de discipline had om mijn honger te onderdrukken en mijn lichaamsgewicht laag te houden. Ik kwam ook een beetje bij in gewicht, waardoor ik steeds verder verwijderd geraakte van het beeld van het uitgemergelde meisje dat wél een ernstig probleem heeft en dat daar wél hulp voor kan krijgen. Mijn probleem werd vanaf nu minder zichtbaar, en dus ook minder ernstig, zo redeneerde ik.
Ondanks het feit dat ik meerdere lichamelijke symptomen had die wezen op anorexia, heeft mijn huisdokter niet aan de alarmbel getrokken. Mijn identiteit van de ‘gezonde veganistische sportster’ overschaduwde het probleem. Toch denk ik dat het voor mij nodig was geweest dat mijn huisdokter, of iemand anders uit mijn omgeving, had uitgesproken dat ze zich echt zorgen maakten. Omdat niemand dat deed, verloor mijn probleem voor mij alle legitimiteit. Want als het écht ernstig was geweest, dan had iemand er toch wel iets van gezegd?
Pas met een stressfractuur werd de ernst van het probleem duidelijk. Nu ben ik grotendeels hersteld, en verschuil ik me ook niet meer onder de identiteit van ‘de gezonde langeafstandsloopster’. Toch vind ik het moeilijk om eerlijk te zijn als mensen me vragen wat er gebeurd is met mijn vroegere ‘passie’ voor lopen. Omdat slechts heel weinig mensen me ooit gezien hebben als iemand met een eetstoornis, ben ik bang voor een ontkennende reactie – voor een reactie die de legitimiteit van het probleem dat er geweest is de grond inboort.
“Ik ben inderdaad nooit lichamelijk uitgemergeld geweest, maar dat wil niet zeggen dat mijn probleem minder ernstig was. Dat wil niet zeggen dat ik minder anorectisch was dan andere mensen met anorexia. En dat wil niet zeggen dat ik niet in aanmerking kwam voor hulp.“
Jinte


