Ik vergelijk het leven met een eetstoornis wel eens met opgesloten zitten in een trein, met de eetstoornis als machinist.
In eerdere tijden controleerde de eetstoornis mijn leven; wie stapt er op en wie verlaat de trein, zijn de gordijntjes open of toe (laat ik me zien), welke richting ga ik uit, met of zonder spoorwissels?
Ik volgde steeds hetzelfde traject, want dat kostte me het minste energie en voelde veilig aan, maar zo geraakte ik ook niet op nieuwe plaatsen. Ik kon ook niet écht in verbinding gaan met anderen: ze zaten in een andere wagon of verlieten de trein telkens vroegtijdig. Ook dit gaf een vals gevoel van veiligheid. Als je niet in verbinding gaat, kan je immers ook niet gekwetst of verlaten worden.
Ook de vertraging van treinen is symbolisch; ik liep vertraging op in mijn leven, stond regelmatig stil en loop achter op leeftijdsgenoten. Maar er is hoop.
Tegenwoordig is de eetstoornis eerder een irritante passagier in de trein. Zo eentje die te luid praat of soms zelfs roept voor heel de trein. Zo eentje waaraan je je ergert. Zo eentje die je vriendelijk op z’n plaats zet als het echt de spuigaten uitloopt. Zo eentje waarvan je denkt ‘oh, die zit ook weer op de trein’ en dan verdergaat. Zo eentje die niets te zeggen heeft over mijn leven of mijn beslissingen.
Ik ben nu de machinist van mijn trein; ik bepaal waar de reis naartoe gaat en ik steek energie in spoorwissels nemen. Ik bepaal wie er mag opstappen en meereizen. Uiteraard stappen er soms passagiers vroegtijdig uit, en dat doet pijn.
Of heb ik gekozen voor een te moeilijke en onbegaanbare weg. Of voel ik me te verantwoordelijk als machinist en wil ik terug verdwijnen in de massa passagiers. Dan wil ik de controle opnieuw overgeven aan de eetstoornis, want dat was voorspelbaar en veilig. Voor zo’n momenten heb ik de stops bij mijn hulpverleners. Laat ik hen binnen in de locomotief en besturen we samen even die trein, denken we samen na over welke spoorwissels nodig zijn om op mijn bestemming te geraken.


