Toen ik zestien was, begon ik meer op mijn eten te letten. Niet per se omdat ik wou afvallen, maar omdat ik op elk levensdomein naar perfectie streefde. Ik was heel sportief, van kleins af aan behaalde altijd goede punten op school en had vrienden rondom mij, dus in mijn hoofd moest ik ‘enkel nog aan mijn eetgewoontes sleutelen’, en dan zou ik het ‘perfecte’ leven leiden.
Perfectie gaf me een gevoel van controle. Controle gaf me een gevoel van veiligheid. Een beetje perfectionisme kan geen kwaad, dacht ik. Ook in mijn omgeving werd dat niet als een probleem gezien, integendeel; ik kreeg er regelmatig veel lof voor.
Ik was zeventien toen de alarmbellen van mijn naasten stilletjes aan begonnen te rinkelen. Ze merkten op dat ik heel wat vermagerd was. Mijzelf viel toen amper op dat mijn lichaam zo fel veranderd was. Pas toen mijn mama mij naar de huisarts sleepte omdat mijn menstruatie al enkele maanden uitbleef, besefte ik wat ik had ‘bereikt’. Ja, mijn hoofd registreerde het gewichtsverlies als ‘succes’ toen ik die dag bij de dokter voor het eerst in maanden op de weegschaal ging staan en het getal zag. Dat was het moment waarop mijn perfectionisme en controledrang volledig doorsloegen. Vanaf dat moment was ik niet alleen obsessief bezig met mijn eten, maar begon ik ook een enorme drang te voelen om mijn gewicht te controleren. Elke gewichtsdaling die volgde, gaf me een soort van ‘kick’. Het werkte bijna verslavend.
Kort na dat bezoek bij de huisarts kreeg ik de diagnose anorexia nervosa en plots was het alle hens aan dek. Mijn mama ging op zoek naar een psycholoog en meldde mij aan bij een diëtiste die gespecialiseerd was in eetstoornissen.
Ik zat toen duidelijk nog in de ontkenningsfase; ik vond de bezorgdheden vervelend en overdreven.
Op een gegeven moment was het fysiek niet meer verantwoord en moest ik stoppen met mijn passie: turnen. Als ik er nu op terugkijk, weet ik dat die maatregel toen medisch noodzakelijk was, maar besef ik ook hoe symptomen van de eetstoornis elkaar versterken en hoe sluw en complex dat monster kan zijn. Doordat de eetstoornis impact had op mijn fysieke gezondheid, werd de impact op mijn mentaal welzijn nog frappanter. Mijn leefwereld werd nog kleiner omdat interesses en passies (zoals het turnen) wegvielen. Mijn dagen draaiden toen alleen nog maar rond wat ik wel of niet mocht eten, hoeveel ik nog moest bewegen om te mogen eten en of het cijfer op de weegschaal zakte.
Ik leefde in een waas en ‘functioneerde’ op automatische piloot.
In die periode schreef ik regelmatig in mijn dagboek. Als ik vandaag door mijn notities blader, zie ik hoe de eetstoornis letterlijk met elke bladzijde die ik vulde meer macht begon te krijgen. Mijn zorgen rond eten en gewicht werden steevaste overtuigingen. Nooit had ik gedacht dat mijn perfectionisme dergelijke vormen zou aannemen en zodanig uit de hand zou lopen. De 16-, 17-jarige ik dacht dat ze goed bezig was, dacht dat ze alles onder controle had.
Soms noem ik de eetstoornis de grootste illusie van mijn leven.
Mijn eetstoornis voelde als mijn beste vriendin. De meest toxische vriendin die ik ooit heb gehad, zou later blijken. Een parasiet die ongemerkt in mijn hoofd was geslopen en almaar meer ruimte inpalmde.
Met veel moeite maakte ik mijn zesde middelbaar af. Daarna volgden talloze opnames, eerst op afdelingen voor eetstoornissen, later ook op algemeen psychiatrische afdelingen.
Inmiddels ben ik 21 en heb ik doorheen de jaren heel wat inzichten gekregen. Tijdens mijn traject(en) werd er vastgesteld dat ik ook nog OCS[1] en PTSS[2] heb. Ik weet ondertussen dat mijn eetstoornis deel uitmaakt van overlevingsmechanismen die mijn zenuwstelsel heeft ontwikkeld om traumatische gebeurtenissen te verdragen. Stap voor stap voegen de puzzelstukjes zich tot een geheel. Tot mijn grote frustratie heeft het lang geduurd voordat ik iets meer duidelijkheid voelde en kon begrijpen waarom en hoe het allemaal in elkaar zit. Er waren periodes dat ik in een zware depressie belandde en geen uitweg meer zag. En heel eerlijk: er zijn nog momenten dat ik het allemaal te overweldigend vind en het herstelproces eindeloos lijkt te duren. Zulke momenten zijn vermoeiend. Maar elke stap telt. Dat heb ik geleerd.
Praten helpt. Ook al is het soms ongelofelijk moeilijk. Er zijn altijd mensen die willen luisteren, zonder oordeel. Het maakt niet uit wie; of het nu een familielid, vriend(in), lotgenoot of hulpverlener is. Misschien hebben ze ook geen pasklare oplossing, maar dat hoeft ook niet.
Een luisterend oor kan soms voelen als een warme knuffel die zegt: het is oké, je bent niet alleen.
Dit was een deeltje van mijn verhaal. Voordat ik hier afrond, wil ik nog één ding meegeven dat ik heel belangrijk vind om te zeggen: elke eetstoornis is super individueel. Het kan dus prima zijn dat sommige dingen totaal niet van toepassing zijn bij jou of dat jij sommige zaken anders ervaart. Dat zegt niets over de ernst van je lijden. Zelfs al heb je op papier misschien dezelfde diagnose en zijn veel gedachten en gedragingen vaak herkenbaar, blijft jouw verhaal uniek.
[1] Obsessieve-compulsieve stoornis
[2] Posttraumatische stressstoornis


