In deze blog wil ik me graag even voorstellen. Mijn naam is Appelblauwzeegroen. En ik moet kleur bekennen: ik weet niet wie ik ben. Misschien zal ik dat ook nooit helemaal weten. Want wat betekent het eigenlijk om iemand te zijn? Een job heb ik niet, dus daarmee kan ik me al niet identificeren. Op mijn paspoort staat dat ik Belg ben, maar zelf voel ik me eerder een aardling, een bewoner van deze planeet. Want hoezo grenzen? Wie heeft ze ooit in het zand getekend?

Rond mijn drieëntwintigste was ik helemaal verdwaald. Ik leed vaak onder depressies tijdens en na mijn studies. De onzekerheid en minderwaardigheidsgevoelens isoleerden me van de buitenwereld. Ik leefde op het eiland van de slaapkamer, het bed met het kussen. Mijn enige veilige haven op dat moment, zo dacht ik. Ik verzonk elke avond opnieuw in het deken van verdriet. Het voelt alsof ik mezelf ergens onderweg kwijtgeraakt was, beetje bij beetje. Ik was slechts een schaduw van mezelf geworden. Een schaduw in de duisternis, die verdween in haar eigen slaapkamerwereld. 

Op een sluwe, sluimerende manier sloop een eetstoornis in mijn lijf. Ik begon dingen te schrappen die naar mijn gevoel te vettig of te suikerrijk waren. Elke keer schoof ik de lat een beetje op en schrapte ik weer wat dingen. De lijst werd na een tijd heel lang. Ik mocht bijna niets meer eten van de eetstoornis. Dat had ook zijn effect. Ik viel af en ervaarde een gevoel van macht en controle over mezelf.

De eetgestoorde gedachten groeiden uit tot een tweede aanwezigheid in mij. Een stem die me kritisch toesprak, regels oplegde en bepaalde wat wel en niet mocht. Sommige mensen geven hun eetstoornis een naam. Dat probeerde ik ook even, maar voor mij werkte dat niet echt. Het voelde niet als ‘iemand’ anders. Eerder als een duistere spiegelversie van mezelf. Een gedaante uit de onderwereld die zich voordeed als vriend. Het zei dat dit de enige manier was om het leven aan te kunnen.

Een eetstoornis heeft mijn wereld zo klein gemaakt dat er nog net genoeg ruimte was om te bestaan, maar niet om te leven. Eerder overleven. En zelfs dat werd me te veel. Ik was een drenkeling die haar vasthield aan de reddingsboei die de eetstoornis leek te zijn. Maar ik dreef ver af van de veilige haven en de kustwacht moest ingrijpen.

Therapie is mijn redding geweest. Al heeft het veel tijd, energie en gesprekken met tranen gevraagd om te kijken naar wat er gaande was. Want het ging eigenlijk niet om de eetstoornis, maar om hetgeen eronder zat: existentiële pijn, eenzaamheid, nood aan liefde en genegenheid, vervreemding, nood aan verbondenheid … Heel veel zaken die schreeuwden om gehoord te worden. ‘Kijk naar mij!’ riepen ze één voor één. ‘Help me!’ schreeuwden de minderwaardigheidsgevoelens. Een eetstoornis werd de vuurtoren die daar een licht op wierp.

Ik loop wel eens verdwaald in het leven. Maar ‘alleen wie ronddoolt, vindt een nieuwe weg’, zeggen ze. Dat idee stelt me ergens gerust. Nu durf ik mezelf en mijn kwetsbaarheden omarmen. Ik verzacht mijn lijden door niet meer in gevecht te gaan met hoe ik in elkaar zit. Ik gebruik het eerder als deel van mijn innerlijke kompas, dat me de weg van liefde, compassie en authenticiteit wijst.

Veel liefs,
Appelblauwzeegroen


Plaats een reactie