Begrijpen waarom het loslaten van een eetstoornis zo moeilijk kan zijn.
Onlangs bladerde ik door mijn oude dagboek.
Mijn aandacht bleef hangen bij de volgende notitie:
1 september 2022. Vandaag was mijn laatste eerste schooldag. Ik kijk uit naar het zesde middelbaar. Dit jaar wordt goed! Op mijn achttiende verjaardag gaat het me lukken om weer taart te eten. Op mijn achttiende stop ik met mijn eetregels en pak ik gewoon de draad weer op. Dan ga ik weer normaal doen.
Ik herinner me nog alsof het gisteren was dat ik dit schreef.
Kort na nieuwjaar werd ik achttien. Ik at taart, zoals ik mezelf had beloofd. Al twijfelde ik achteraf of je het überhaupt taart kon noemen. Het was een suikervrije, vezelrijke en ‘onbewerkte’ versie. Een zelfgemaakte creatie, want ik had mijn ouders verboden om een taart te kopen. Ik maakte mezelf wijs dat ze lekker was. Zelfs lekkerder dan een ‘gewone’ taart. Mijn papa zei meteen dat het ‘niet te vreten’ was. Mijn mama deed haar uiterste best om niet te laten merken dat het absoluut niet naar taart proefde.
Ondanks het feit dat ik vermoedelijk de meest eetstoornisvriendelijke taart ooit had gemaakt, lag ik diezelfde avond wakker van de schuldgevoelens. Mijn eetstoornis overtuigde me ervan dat ik onnodige calorieën had gegeten en dat ik dik zou worden. Dat was het moment waarop ik moest erkennen dat ik niet zomaar terug kon naar ‘normaal’. Ik had het helemaal niet onder controle, zoals ik mezelf had wijsgemaakt. Integendeel: de gedachten controleerden mij. De angsten en obsessies rond voeding, beweging en gewicht dicteerden mijn dagen.
Fuck, dacht ik.
In mijn dagboek schreef ik:
Ik zit vast. Vast in mijn eigen hoofd en lichaam. Hoe geraak ik hier ooit weer uit? Ik wil gewoon weer normaal kunnen doen. Zoals mijn leeftijdsgenoten. Gaan feesten en daarna een pak friet eten. Een glas drinken op onze proclamatie. Genieten van mijn laatste zomer voor de start van het hoger onderwijs. Ik wil gewoon weer kunnen eten wat ik wil, maar ik wil geen gram bijkomen. En dat gaat niet. Ik kan dit gewicht alleen behouden als ik me aan mijn eigen regels houd. Eigenlijk wil ik stiekem zelfs nog een klein beetje afvallen. Dan ga ik me zoveel beter voelen. Eerst dat doel bereiken, daarna zie ik wel verder.
Toen wist ik nog niet dat mijn eetstoornis over zoveel meer draaide dan alleen eten en gewicht controleren.
De eetstoornis hielp me onbewust om negatieve gevoelens en traumatische herinneringen draaglijker te maken. Een laag lichaamsgewicht had voor mij de functie om minder te voelen en mezelf te beschermen tegen gevaar. Voor buitenstaanders klinkt dat misschien vreemd, maar ik ervoer een gezond lichaam als iets gevaarlijks. Als een potentiële ‘prooi’. Als iets ‘fout’. Alsof mijn lichaam verantwoordelijk was voor wat mij in het verleden was overkomen.
De eetstoornis had voor mij dus vooral de functie om posttraumatische klachten te onderdrukken. Daarom had ik, telkens wanneer ik herstel een kans gaf, het gevoel dat ik het leven zonder niet aankon. Eigenlijk is dat niet zo vreemd. Mijn zenuwstelsel zag mijn eetstoornis als een overlevingsstrategie.
Na talloze opnames en therapieën kwam ik telkens terug bij dezelfde gedachte:
“Ik wil geen eetstoornis meer, maar ik kan niet zonder. Ik overleef deze wereld niet zonder. Ik heb mijn eetstoornis nodig om het leven aan te kunnen.”
Dat klinkt ontzettend ironisch. En dat is het ook.
Tegelijk begrijp ik vandaag, vier jaar na mijn achttiende verjaardag, waarom ik zo hard vasthou aan dat verschrikkelijke ding: mijn eetstoornis. Begrijpen waarom je een eetstoornis hebt ontwikkeld en wat die in stand houdt, is op zichzelf geen oplossing. Maar volgens mij is het wel een belangrijk onderdeel van duurzaam herstel.
Iedereen heeft graag logische verklaringen. Zeker voor mensen met een neurodivergent brein is dat vaak nodig. Jarenlang begreep ik mezelf langs geen kanten. De onwetendheid over mijn neurodivergentie, gecombineerd met perfectionisme, zorgde voor enorm veel frustratie. Ik legde de lat hoger dan de Mount Everest: onbereikbaar. Dat voedde mijn zelfhaat, waardoor de eetstoornis alleen maar sterker werd. Mijn eetstoornis vond dat geweldig, ik niet.
Mezelf beter leren begrijpen helpt me om milder te zijn voor mezelf. En mildheid blijkt uiteindelijk veel krachtiger dan constante zelfkritiek.
Een eetstoornis wordt vaak vergeleken met een verslaving, ik herken mezelf in die vergelijking. Eetgestoord gedrag wordt al snel een gewoonte. De gevolgen van dat gedrag kunnen het beloningssysteem in de hersenen activeren, waardoor je brein het gedrag blijft herhalen. Zo ontstaat een hardnekkig patroon.
Maar net als bij ‘klassieke’ verslavingen heeft een eetstoornis vaak een onderliggende functie. Voor mij was het begrijpen van die functie een grote mijlpaal in mijn herstelproces.
Die verduidelijking wens ik iedereen toe die vastloopt in zijn of haar herstel.
Want begrip voor jezelf leidt vaak tot mildheid. En mildheid kan net dat beetje moed geven dat nodig is om te blijven vechten voor het leven.


