Ik koos 1 september 2026 als mijn 1000 dagen mijlpaal. Die fameuze eerste duizend dagen. Ze zijn voorbijgevlogen. Ik wou het nog even voor mezelf houden, koesteren, alsof het gevoel zou doven als ik het zou delen. Maar ik ben er klaar voor en wil het met het wereldwijde web delen.

Duizend dagen na 6 december 2023. De dag dat ik alles in gang zette om terug te gaan leven. De dag dat voor altijd in mijn geheugen gegrift zal staan. Zes december tweeduizenddrieëntwintig. Pas twee dagen ben ik op deze plek. Het is tijd, het is nu of nooit, ik kan het. Trillend op mijn benen loop ik de trap af naar de leefruimte. De avond ervoor schreef ik met klamme handjes een brief naar de Sint en stak die in mijn schoen aan de kamerdeur. Kort samengevat: ‘Lieve Sinterklaas, mag ik hier en nu Semme zijn?’ Zullen ze mijn brief aan de Sint gelezen hebben? Vertwijfeling, angst en onzekerheid. Halverwege de dag spreekt een therapeut me aan, ik ben beschaamd, bang, gespannen en durf niet veel te zeggen. Maar vanaf die dag ben ik Semme en zet ik stapjes en stappen.

Ik licht mijn mama, zussen, papa in. Ik voel me schuldig voor wat ik vraag. Hun volledige realiteit in één belletje of één berichtje op losse schroeven gezet. ‘Is het geen fase’, ‘ga je geen spijt hebben’, ‘ik moet daar even over nadenken’ en een oorverdovende stilte komen me tegemoet. Ik probeer me kranig recht te houden en niet terug in een hoekje weg te kruipen. Ik sta met de steun van hulpverlening toch op mijn strepen: dit is wie ik ben, deal with it. Want ik zit er wel mee, al jarenlang tobbend over ‘is dit geen fase’, ‘ga ik geen spijt hebben’ en ‘ik moet er nog even over nadenken’. Ik kan jullie niet kwalijk nemen om door de fasen te gaan waar ik jaren eerder ook doorging.

Al duizend dagen balanceer ik op een dun koord tussen ‘sorry’ en ‘dit ben ik’, twijfel ik tussen een hand geven of een kus, tussen de linker- of de rechterdeur.

Voor die duizend dagen was het leven overleven, mezelf klein maken, verlangen naar niet-bestaan. Nele heeft afgezien, en kleine Semme ook. Alleen, op een andere manier. Ik probeer ze alle twee al jaren te helen.

In de spiegel zie ik alweer een steeds veranderend beeld. Andere rondingen, andere stem.

Die spiegel is niet altijd een zachte plek geweest, mijn lichaam trouwens ook niet.
Mijn lichaam en ik waren lange tijd geen vrienden. Rondingen moesten weg, minder was beter en kleiner voelde veiliger. Nu verandert mijn lichaam opnieuw, en dat is best ingewikkeld. Want ik probeer ook te leren dat mijn lichaam niet voortdurend hoeft te veranderen of verbeteren om het recht te hebben er te zijn.

Dat herstellen maar ook transitioneren betekent: voelen, bestaan en ruimte innemen, zelfs op dagen waarop de spiegel en ik het niet met elkaar eens zijn.

Ik moest hollen, rennen, vliegen. Vooral proberen niet te vallen, opstaan, doorgaan. Niet stilstaan. Dat was sterk, dat was krachtig, daarmee ging ik mijn doelen bereiken. Ik moet nog steeds hollen, rennen, vliegen. Vooral proberen niet te vallen, opstaan, doorgaan. Niet stilstaan. Nog niet. Pas als ik ‘af’ ben, ‘klaar’ ben.

Maar wanneer is dat eigenlijk?
Als mijn lichaam mannelijk genoeg is? Als het sterk genoeg is? Als mijn stem goed zit, mijn gezicht klopt, mijn baard groeit? Misschien zit net daar iets wat ik de afgelopen duizend dagen langzaam begin te leren: ik hoef niet af te zijn om te mogen leven. Ik hoef niet klaar te zijn om te mogen stilstaan, pauzeren is een ding.

Na duizend dagen (en zovele eerdere jaren) komt er langzaam rust en ruimte om te verwerken. Verwerken van versies en personen die ik ooit geweest ben.

Ik leef nu duizend dagen een nieuw leven. En het gaat, het gaat goed zelfs. Tenminste, als je ‘goed’ een beetje breed neemt. Nele hoeft niet meer te acteren, Semme mag er best wel wezen. Dus ja, het gaat, het gaat goed.

Ik begin stilaan een beeld van mezelf te zien in de toekomst: als zoon, als vriend, als partner, als vader misschien? Het zijn dingen die ik niet altijd zie en nog minder durf te benoemen. Ik houd het krampachtig vast bij mezelf, bang dat wensen niet uitkomen als je ze uitspreekt. In de spiegel zie ik nu steeds vaker een man. Ik heb nu ruimte en staar naar mijn gezicht. Mijn ogen stralen en mijn mond vertoont lachrimpeltjes.

Ik sta in het heden, kijk hoopvol naar de toekomst en koester het verleden in mijn achterhoofd.

Een toekomst waarin eten gewoon eten mag zijn. Waarin ik op restaurant ga omdat ik zin heb in gezelschap, op reis vertrek zonder eerst uit te rekenen hoe ik daar mijn lichaam onder controle moet houden, en een verjaardag onthoudt omwille van wie er naast me zat in plaats van wat er op mijn bord lag.

Ik weet niet hoe mijn leven en lichaam er over nog eens duizend dagen uit zal zien. Misschien is dat net wat me op de been houdt. Dat er steeds meer leven en groei kan komen op de plek waar vroeger vooral overleven en kleiner worden zat.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *