‘Schrijven is schreeuwen in stilte’. Dit citaat van Marguerite Duras las ik onlangs in een jeugdboek (Fanny Cloutier. Het jaar waarin ik bijna mijn puberteit verpestte. Door Stephanie Lapointe).
Ik heb veel geschreeuwd in stilte.
Als tiener schreef ik dagboeken vol.
Over hoe ik me vanbinnen voelde.
Koud. Donker. Alleen.
Al schrijvend kwamen de woorden vanzelf.
Maar al sprekend, dat was iets anders.
Ik ben neurodivergent (autisme en ADHD) en voelde al van jongs af aan dat ik anders was. Dat mijn ervaringen vaak niet gespiegeld of begrepen werden door de mensen om me heen. Ik kreeg de boodschap dat ik ‘te stil’ of ‘te gevoelig’ was.
Ik kreeg (wellicht goedbedoelde maar) niet-helpende goede raad zoals ‘trek het je niet zo aan’, ‘werk actiever mee in de klas’, ‘denk positief’ of mijn absolute favoriet (not!) ‘wees gewoon jezelf’. Achteloos werd deze ‘goede’ raad bij me neergedropt. Alsof wat van me gevraagd werd een fluitje van een cent was. Zo makkelijk dat het zelfs niet bij hen opkwam dat ik er misschien hulp bij nodig had.
Ik dacht dat ‘ze’ wel gelijk zouden hebben.
Dat ik me aanstelde. Dat ik flauw was. Raar.
Dat als ik me slecht voelde, dit mijn eigen schuld was omdat ik niet goed (= te negatief) dacht.
En ook: dat wat ik voelde niet klopte.
Dat ik niet klopte.
Zo verdween ik in het donker in mezelf.
Mijn woorden en gevoelens roestten er vast. Ze verkleefden. Verdroogden. Verhardden. Verstarden.
Niet gek eigenlijk dat ik nu zo bang ben om mijn eetstoornis los te laten. Het is tot nu toe de enige manier geweest waarop ik de ernst van mijn psychische pijn heb kunnen uitdrukken. Omdat mijn eetstoornis zichtbaar was, werd ik ineens wel ernstig genomen en geloofd.
Mijn lichaam schreeuwde het keihard uit. In the face. ‘Het gaat niet goed met mij. Er is iets aan de hand. Help mij.’
Het kon niet meer genegeerd worden. Ineens kreeg ik wel hulp en steun. Dat voelde als een opluchting en tegelijk ook vreemd omdat het alles wat ik tot dan toe over mezelf geloofde in vraag stelde. Was ik dan toch geen flauwe aansteller?
Gelukkig is er intussen veel in mij veranderd en geheeld. Doorheen vele therapiesessies van zoeken en zwoegen, van ploeteren, van vastlopen en opnieuw proberen … zijn mijn woorden en mijn gevoelens – die zo vastzaten – weer gaan stromen.
Ik heb geleerd om wat ik voel weer te vertrouwen, het voor waar aan te nemen, ook al doen anderen dat niet. Ik laat mezelf niet meer zo snel los als anderen niet begrijpen wat ik probeer uit te drukken. Ik heb geleerd om erop terug te komen. Om te blijven spreken. Om als ik bij iemand op een muur blijf botsen, verder te zoeken naar iemand die het wel begrijpt of die me wel gelooft (want intussen weet ik dat dit kan én dat één persoon vaak al genoeg is).
Ik durf nu te zeggen en te voelen:
‘Wat ik voel, klopt.
Wie ik ben, klopt.’
Misschien is het anders dan ‘het gemiddelde’ maar daarom is het niet raar of onwaar.
Dus ja, ik sta een stuk sterker nu.
Ik voel me meer in staat om mijn echte probleem aan te pakken (= als neurodivergent persoon leven in een neurotypische wereld) en de omweg (= mijn eetstoornis, die me ergens heeft geholpen maar tegelijk een bijkomend probleem is geworden) los te laten.
Stap voor stap ga ik ervoor: ‘Gewoon’ eten en een ‘gewoon’ gewicht hebben en vertrouwen opbouwen in dat ik toch gehoord zal/kan worden, dat ik niet zal stikken in mijn schreeuw.


