Toen ik midden in mijn eetstoornis zat, had ik anderen nodig om me de weg te wijzen. Hulpverleners, lotgenoten, mensen uit mijn omgeving… Zij zagen soms dingen die ik zelf nog niet kon zien. Ze hielpen me stilstaan bij patronen, stelden moeilijke vragen en bleven geloven in herstel, ook op momenten waarop ik dat zelf niet meer kon.
Maar ergens onderweg veranderde er iets. Ik merkte dat ik steeds vaker zélf begon op te merken wanneer bepaalde patronen weer wat meer ruimte probeerden in te nemen.
“Hé, ik ben weer maaltijden aan het uitstellen.”
“Waarom ben ik eigenlijk zo streng voor mezelf vandaag?”
“Ik merk dat ik steeds meer excuses zoek om afspraken af te zeggen.”
Die vragen waren geen tekenen dat ik gefaald had. Integendeel, het waren signalen dat ik mijn eigen beste coach aan het worden was. Een goede coach wacht namelijk niet tot de wedstrijd verloren is. Die leert de speler zijn eigen spel kennen. Hij kent de sterke punten, maar ook de momenten waarop iemand uit evenwicht geraakt. Hij weet welke situaties extra aandacht vragen en helpt om opnieuw koers te houden.
Dat is eigenlijk ook wat er tijdens herstel gebeurt. Je leert je eigen alarmsignalen herkennen. Je ontdekt welke situaties extra kwetsbaar zijn. Je leert welke gedachten vaak de voorbode zijn van oude patronen. En misschien nog belangrijker: je leert hoe je op die momenten tegen jezelf wilt spreken, op een mildere, meer steunende manier in plaats van de stem van dwingende controle die bij een eetstoornis hoort.
Vanuit de cognitieve gedragstherapie weten we dat onze eerste automatische gedachte niet altijd de meest helpende is. Vanuit ACT leren we dan weer dat we niet elke gedachte hoeven te geloven. We kunnen leren opmerken wat er in ons hoofd gebeurt, zonder dat die gedachte automatisch het stuur van ons leven overneemt. Langzaam ontstaat er daardoor iets nieuws.
Een stem die niet langer zegt: “Zie je wel, je hebt weer gefaald.”
Maar bijvoorbeeld: “Ik merk dat het vandaag moeilijker is. Wat heb ik nu nodig?”
Die stem ontstaat niet vanzelf. Ze groeit uit honderden kleine momenten waarop je oefent. En toch hoeven we het niet helemaal alleen te doen.
Ook topsporters hebben een coach langs de zijlijn. Niet omdat ze zwak zijn, maar omdat iemand vanop afstand soms ziet wat je zelf even mist. Zo kan het ook helpend zijn om mensen rondom je te hebben die jouw alarmsignalen kennen. Mensen die mogen zeggen: “Ik herken je weer wat minder.” Of: “Gaat het eigenlijk wel écht goed met je?”
Niet om je te controleren, maar omdat ze mee willen helpen bewaken wat voor jou belangrijk is. Na verloop van tijd merk je dat die stemmen van anderen langzaam een beetje jouw eigen stem worden. Je leert jezelf toespreken zoals een goede coach dat zou doen: eerlijk, bemoedigend en met vertrouwen dat je ook moeilijke momenten aankunt.
Misschien is dat wel één van de mooiste vormen van herstel. Niet dat je nooit meer struikelt. Maar dat je steeds sneller merkt wanneer je dreigt uit balans te raken, en dat je weet hoe je jezelf opnieuw kunt helpen rechtstaan.
Dat is geen perfectie of overmatige controle.
Dat is zelfleiderschap.


