Als kind was ik niet bepaald het stereotype meisje. Mijn eerste echte fiets was een BMX, omdat ik op televisie een reeks had gezien waarin jongeren stoere stunts deden. Ik skateboardde, speelde honkbal met de jongens uit de buurt en vond het verschrikkelijk als iemand zei dat ik ‘liep als een meisje’.
En rokjes? Die droeg ik eigenlijk liever niet. Niet omdat ik mijn benen lelijk vond, maar omdat het gewoon niet prettig voelde. Ik herinner me nog hoe mijn bovenbenen elkaar raakten wanneer ik stapte. Op warme dagen begonnen ze soms te schuren. Als kleuter vond ik dat een ontzettend vervelend gevoel. Geef mij dan maar een sponsen short of een salopette waarin ik vrij kon lopen, klimmen en ravotten.
Onlangs moest ik daar onverwacht weer aan denken. Ik had een oud loopshortje uit de kast gehaald. Halverwege mijn korte loopje wist ik weer waarom dat shortje al zo lang onderaan de stapel lag. Mijn bovenbenen begonnen tegen elkaar te schuren.
En plots was ik weer even dat meisje van vroeger. Dezelfde lichamelijke sensatie, maar een heel andere betekenis. Die ervaring deed me ook terugdenken aan het begin van mijn eetstoornis, omdat ik toen steeds meer begon te geloven dat elk lichamelijk ongemak betekende dat er iets mis was met mijn lichaam. Want toen kreeg datzelfde gevoel een heel andere betekenis. Het was niet langer gewoon een lichamelijke sensatie die onaangenaam was. Het werd een oordeel over mijn lichaam: ‘Zie je wel… mijn benen zijn te dik.’
Een lichaam héb je niet alleen, een lichaam bé́n je ook.
Alleen verschuift die balans helemaal tijdens een eetstoornis. Je lichaam wordt steeds minder iets dat je bént en steeds meer iets waar je naar kijkt. Je lichaam wordt een object. Iets dat geëvalueerd moet worden. Gemeten. Gecontroleerd. Verbeterd. Gekneed om in een mal te passen, van kledingmaat tot maatschappelijk ideaal.
Door zelf psychologie te bestuderen, besef ik nu dat ik lichaamsschaamte en lichaamscomfort door elkaar haalde. Lichaamscomfort zegt iets over de relatie tussen je lichaam en je omgeving. Zit deze broek prettig? Schuurt dit shortje? Is deze stoel comfortabel? Heb ik het warm? Dat zijn signalen dat iets niet comfortabel is. Ze vertellen iets over de situatie, de kleding of de omstandigheden. Niet over de waarde van jouw lichaam.
Lichaamsschaamte gaat gepaard met afkeuring. Dan wordt een ongemakkelijke ervaring plots een oordeel: ‘Mijn lichaam is verkeerd.‘
Misschien is dat wel één van de dingen die ik in herstel heb geleerd: mijn lichaam hoeft zich niet voortdurend aan te passen aan de wereld rondom mij. Ik mag ook de wereld een beetje aanpassen aan mijn lichaam.
Dat oude loopshortje? Dat draag ik vanaf nu alleen nog wanneer ik weet dat ik niet ver zal wandelen.
Misschien is dat ook een mooie vraag om jezelf af en toe te stellen: Heb ik op dit moment last van lichaamsschaamte? Of heb ik eigenlijk gewoon behoefte aan meer lichaamscomfort?


